Er zijn weinig dingen zo vanzelfsprekend in Nederland als water. De kraan gaat open en het stroomt. Dat idee zit niet alleen in huishoudens maar ook diep verankerd in hoe we bouwen, uitbreiden en produceren.
Tot het moment dat een bedrijf een nieuwe fabriekshal wil realiseren, productie wil opschalen of een proces wil aanpassen en te horen krijgt dat er geen extra drinkwateraansluiting beschikbaar is. In delen van Nederland is dit al realiteit. Voor wie ermee te maken krijgt is het direct een serieus probleem. Voor wie het nog niet raakt blijft het abstract.
Tegelijkertijd willen we in Nederland richting de bouw van 100.000 woningen per jaar. Ook die woningen vragen om een drinkwateraansluiting. Dat schuurt met de grenzen van winning, vergunningverlening, infrastructuur en ruimtelijke inpassing. Dit speelt nu, niet later.
Urgentie op papier, onrust in de praktijk
Het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing is duidelijk. De doelstelling is een besparing van 20 procent ten opzichte van de periode 2016–2019, zowel voor industrie als consument. In 2035 moet het drinkwatergebruik per hoofd van de bevolking richting 100 liter per dag. Dat zijn stevige doelen. Maar doelen alleen zorgen nog niet voor beweging.
De vraag die daarbij blijft hangen is eenvoudig en ongemakkelijk: sturen we hier als Nederland echt op? Met concrete maatregelen, duidelijke afspraken en consequent handelen? Of blijft het bij ambities, pilots en goede bedoelingen, terwijl de druk op het systeem verder toeneemt?
Water is nog steeds goedkoop. Daardoor voelt schaarste niet als schaarste. De waarde van water is hoog, maar dat zie je niet terug op de factuur. Wat weinig kost, krijgt zelden prioriteit.
De consument ziet het niet, de industrie voelt het te laat
Kijk naar het drinkwatergebruik van huishoudens. In 2023 lag het gemiddelde op 118 liter per persoon per dag. Ongeveer 40 procent daarvan gaat op aan douchen en zo’n 30 procent aan toiletgebruik.
Voor veel mensen blijft dat een abstract getal. Toch ligt hier een eenvoudige kans. Met relatief simpele maatregelen is een besparing van 10 tot 20 procent mogelijk. Dat geldt voor huishoudens, maar in de praktijk net zo goed voor de industrie.
In de industrie krijgt water echter een extra lading. Daar draait het niet alleen om gebruik, maar om bedrijfszekerheid. Een fabriek die stilvalt door waterschaarste of strengere lozingseisen betaalt een veel hogere prijs dan de waterrekening alleen. Productieverlies, verstoring van processen en onzekerheid in de bedrijfsvoering wegen zwaar.
KRW: waterkwaliteit als extra druk
Naast beschikbaarheid speelt ook waterkwaliteit een steeds grotere rol. De Kaderrichtlijn Water stelt duidelijke eisen aan de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Dat raakt bedrijven die lozen op oppervlaktewater of anderszins invloed hebben op een waterlichaam, bijvoorbeeld via grondwater.
Daar komt een praktische realiteit bij. De samenstelling van oppervlaktewater verandert door seizoenen, droogte en piekbelastingen. Bedrijven die oppervlaktewater innemen voor proceswater merken dat direct. En wie zuivert met membranen of andere technieken, krijgt te maken met concentraatstromen waar een oplossing voor nodig is.
Dit vraagt om een andere manier van denken. Het klassieke lineaire model van innemen, gebruiken en lozen loopt tegen zijn grenzen aan. Circulair denken wordt steeds noodzakelijker.
Kikkers in de pan
We lijken als sector kikkers in een pan op het vuur. Het water wordt warmer, maar zolang het nog niet kookt blijft iedereen zitten.
De landelijke overheid, provincies, gemeenten, drinkwaterbedrijven en waterschappen hebben ieder hun rol. Die rolverdeling is historisch zo gegroeid en heeft lange tijd goed gewerkt. In de huidige situatie, met overlappende en complexe vraagstukken, helpt die versnippering steeds minder.
Wie brengt de verschillende partijen bij elkaar en zorgt voor richting en samenhang? Die regie ontbreekt vaak. Daardoor zijn we afhankelijk van early adopters: organisaties die vooruit willen, die zich willen voorbereiden op de toekomst en niet wachten tot het te laat is.
Dat is waardevol, maar onvoldoende om de opgave als geheel te dragen.
Terugverdientijd of bedrijfszekerheid
Bij watermaatregelen komt steevast dezelfde vraag op tafel: wat is de terugverdientijd? Dat is een logische vraag, maar wel een beperkte.
Investeren in water gaat niet alleen over besparen. Het gaat over zekerheid. Over de vraag of je in de toekomst kunt blijven produceren, of je afhankelijk bent van beperkingen in levering of lozing, en hoe robuust je bedrijfsvoering is bij veranderende omstandigheden.
Soms is er geen directe financiële terugverdientijd, maar wel zekerheid dat je niet stilvalt tijdens een droge periode. Soms zijn er nauwelijks meerkosten, maar voorkom je afhankelijkheid van een drinkwatermaatschappij die geen extra water kan leveren of strengere eisen stelt aan lozingen.
Spring uit de pan
Wachten helpt niet. Techniek is het probleem zelden. De vraag is hoe je begint.
Breng eerst je eigen situatie in kaart. Maak inzichtelijk waar water vandaan komt, waar het wordt gebruikt en waar het verdwijnt. Kijk vervolgens naar mogelijke oplossingsrichtingen en ga in gesprek met partijen die daarbij kunnen helpen, wie dat ook zijn.
Wie die stap zet, ontdekt vaak dat er meer mogelijk is dan vooraf gedacht. De grootste blokkades zitten niet in installaties of technologie, maar in keuzes, prioriteiten en besluitvorming.
En precies daarom hoort water niet alleen thuis in de technische hoek, maar op de plek waar richting wordt bepaald.


